Feithhuis
Het Feithhuis, genoemd naar de laatste bewoner - Rijksarchivaris J.A. Feith -, dateert al uit 1325. Althans, het perceel. Het stond bekend als de ‘Bisschopshof’ en werd door de bisschop van Utrecht aan de kerk van de heilige Martinus geschonken, met als voorwaarde dat de nieuwe eigenaar er een priesterhuis op zou bouwen. Zo had de bisschop een logeeradres, voor het geval hij zin had om een bezoek aan Groningen te brengen. Deze pastorie werd St. Maartensweem genoemd. ‘Weem’ is een term die vaker werd gebruikt voor ‘pastorie’ of priesterhuis’.
 
De oudst bewaarde kern van het huidige Feithhuis stamt uit het midden van de 15de eeuw: de eerste pastorie werd dus vrij snel volledig vervangen door een nieuwe, wellicht omdat de Martinikerk destijds fors werd uitgebreid. Het ‘nieuwe’ pand, evenwijdig aan de straat, was opgebouwd uit een vijf meter hoge begane grond en een drie meter hoge verdieping, plus een zolder met borstwering. Een eikenhouten gebintenkap overdekte dat alles. Deze kap is nog grotendeels aanwezig. Al vrij snel na de bouw werd het pand aan de oostkant uitgebreid, zodat een L-vormig complex ontstond. Van deze uitbreiding is nog een zijmuur terug te vinden.
 
In de 16de eeuw werd de balklaag in de kelder door vier kruisgewelven op een pijler vervangen. Deze kelder is bewaard gebleven. Na de Hervorming werd het pand niet langer door geestelijken, maar door gegoede burgers bewoond. Het voldeed kennelijk niet aan hun woonwensen, want in het eerste deel van de 17e eeuw werd er wederom flink uitgebreid: de hof die voor de weem had gelegen, werd tot aan de rooilijn volgebouwd en er kwamen groene plavuizen in de verdiepingsvloer van het oude bouwdeel. Deze zitten er deels nog steeds. 
Het pand wisselde regelmatig van eigenaar en was zodoende vaak onderhevig aan aanpassingen. 
 
De invloedrijke Hendrik Trip, een in Indië rijk geworden commissaris, deed daar in de eerste helft van de 18de eeuw nog een flinke schep bovenop. Hij liet een nieuwe voorgevel met een zandstenen beeldhouwwerk aanbrengen. Er ontstonden twee achter en aan elkaar gelegen bouwdelen: een ‘dubbel dwars’ huis, waarover één omlopend schilddak rustte. Een andere grote verbouwer was jonkheer meester W.J. Quintus, die in 1864 op het achter terrein een opmerkelijk pand liet bouwen met een Zwitsers aandoende gevel in Chalet-stijl, en vijf jaar later onder meer twee koetshuizen toevoegde: één links en één rechts van de bestaande kern. Voor het linker exemplaar werd het bouwdeel uit de 15de eeuw opgeofferd. 
 
In 1916 verkocht de familie Feith het pand aan de gemeente, zonder het prachtige interieur: dat werd apart te koop aangeboden en ging zo als geheel verloren. Eén schouw werd overigens geschonken aan het Groninger Museum. De gemeente gaf het pand vervolgens vele bestemmingen. Het diende als arbeidsbeurs, conservatorium, kantoor en zelfs studentenhuis. Het gebouw werd behoorlijk verwaarloosd, tot het in 1994 weer zo goed als mogelijk in oude glorie werd hersteld en gerestaureerd. Momenteel huisvest het pand een café-restaurant.
 
Om de bestemming van het café-restaurant werkbaar te maken, werd er door architectenbureau De Zwarte Hond uit Groningen een plan gemaakt waarbij het 19de eeuwse karakter als uitgangspunt is genomen. Door op diverse plaatsten doorbraken en uitsneden in de wanden te maken, zijn de oorspronkelijke woonvertrekken ruimtelijk aan elkaar verbonden en zichtlijnen ontstaan. Met de uitsneden is getracht de oorspronkelijke structuur niet verloren te laten gaan, maar te zorgen voor een nieuwe toevoeging die toch herkenbaar is. Zonder deze wijzigingen zou de indeling van het gebouw uit dichte vertrekken hebben bestaan, die afgesloten van elkaar zouden hebben moeten functioneren.
Nog bestaande interieuronderdelen en -afwerkingen, zoals stucwanden en plafonds, schouwen, marmeren vloeren, de lambrisering in de hal, de vensters met vensterbanken en panelen/luiken werden gerestaureerd.  

Locatie

Martinikerkhof 10

Jaar

1729

Ontwerp

Onbekend

Plaats

Groningen

Status

Rijksmonument